EW Podium, Tim Goudriaan

Niet cancelcultuur, maar slachtoffercultuur is het probleem

22 juni 2022Leestijd: 8 minuten

Dat cancelcultuur onwenselijk en problematisch is, begint langzaam meer mensen te dagen. Maar wat is ‘cancellen’ nou eigenlijk? Volgens Tim Goudriaan is cancelcultuur een normale of in elk geval logische vorm van conflictoplossing. Maar het is een bijverschijnsel van een veel groter probleem, schrijft hij op EW Podium: het cultiveren van slachtofferschap door Nederlandse universiteiten.

Tim Goudriaan (1985) is oprichter van kennisplatform de Spinozagroep waarmee hij de opmars van slachtoffercultuur en het ‘wokisme’ in Nederland in kaart brengt en agendeert. Daarnaast runt hij onderwijsplatform Teachmehowtodothat waar hij eLearning en websites voor hoger onderwijs bouwt en verkoopt. Ook werkt hij als docent aan het University College Utrecht en als Game Based Learning-adviseur bij de Universiteit Utrecht. Zijn inhoudelijke expertise richt zich op internationaal recht, internationale veiligheid en secret intelligence met een focus op het Arabisch-Israëlisch Conflict en Oost-Azië.

EW Podium publiceert opinies van jonge schrijvers, die vanuit eigen onderzoek of werkervaring bijdragen aan het debat. De artikelen reflecteren niet noodzakelijkerwijs de opvatting van de redactie.

‘The key to the new morality,’ aldus professor Jonathan Haidt, ‘is a method of looking at society in terms of power and privilege.’ De oude vorm van onderwijs, zegt Haidt, houdt in dat studenten allerlei perspectieven aanleren waarmee zij problemen kunnen analyseren. Neem bijvoorbeeld armoede: wat zou een econoom hierover zeggen, een antropoloog, of een socioloog?

Maar sommige studenten leren nu één enkel perspectief aan om naar alles te kijken. Dit perspectief of wereldbeeld deelt iedereen in op basis van hun ras en geslacht, om daar vervolgens morele waarde aan te hangen: ‘Privilege is bad and victimhood is good.’

In hun fantastische boek The Rise of Victimhood Culture (2018) leggen Bradley Campbell en Jason Manning uit hoe slachtoffercultuur oorspronkelijk en in de meest extreme vorm tot uiting kwam op universiteitscampussen, maar inmiddels haar weg heeft gevonden naar de bredere samenleving. Zij schreven zo’n tien jaar geleden als eerste over de opkomst van ‘microagressies’, ‘trigger warnings’ en ‘safe spaces’ op Amerikaanse campussen. Zij verbazen zich over de snelheid waarmee deze ideeën zich, ondanks het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing, hebben verspreid buiten de universiteit. Instituten en organisaties gaan veelal klakkeloos mee inconcept creep’  (de geleidelijke semantische uitbreiding van concepten die ‘schade’ kunnen veroorzaken). Hierdoor worden slachtoffercultuur en de bijbehorende vinkjesgeest in vrijwel alle lagen van de samenleving geïnstitutionaliseerd – van overheid tot bedrijfsleven, en van kunstsector tot de zorg.

Lees ook dit stuk van Tim Goudriaan voor EW Podium: Vinkjesgeest waart rond in Nederland

Eercultuur en waardigheidscultuur

Volgens Campbell en Manning is slachtoffercultuur daadwerkelijk een nieuwe cultuur met een eigen moraal en regels, die begrepen kan worden door ‘eercultuur’ en ‘waardigheidscultuur’ te bestuderen. Leden van een eercultuur zijn namelijk overgevoelig voor belediging en schendingen (zoals zij dat ervaren) van hun reputatie in het publieke domein. Zo worden het aantasten van de familie-eer of iemands mannelijkheid – ‘machismo’ – in sommige eerculturen als grove belediging gezien. Conflicten worden door leden van een eercultuur vaak direct, zonder tussenkomst van autoriteiten, met de vermeende overtreder opgelost. Denk aan het gezegde ‘oog om oog, tand om tand’ waarvan eerwraak en eermoord de meer extreme methoden van conflictoplossing zijn.

Leden van een waardigheidscultuur zijn doorgaans minder gevoelig voor dergelijke beledigingen en ontlenen hun reputatie onder meer juist aan het niet gauw beledigd zijn. Zij geloven vaak in varianten als het Engelse ‘sticks and stones may break my bones but words will never hurt me’ en het belang van iemand ‘de andere wang toekeren’. Conflicten worden in een waardigheidscultuur ook doorgaans onderling opgelost, maar op basis van gedeelde normen, waarden, regels en wetten – en soms met tussenkomst van en acceptatie van derde partijen als buurtbemiddeling, de politie, de rechtbank, et cetera. Op deze wijze maakt waardigheidscultuur het functioneren van de democratische rechtsstaat naar West-Europees model mogelijk.

Wanneer echter sprake is van lage sociale cohesie (zoals met Covid het geval was), kunnen mensen bovenmatig – soms rigide – leunen op regels en procedures om op deze manier om te gaan met onzekerheden en risico’s. In zo’n situatie tracht men conflicten vrijwel geheel via derde partijen op te lossen. Hier is sprake van een subcultuur van waardigheidscultuur die ook wel ‘vermijdingscultuur’ wordt genoemd.

Slachtoffercultuur: vinkjesgeest + cancelcultuur

Slachtoffercultuur combineert, in zekere zin, de meest problematische elementen van eercultuur en waardigheidscultuur. Leden van een slachtoffercultuur zijn, net als die in een eercultuur, overgevoelig voor hun reputatie en belediging zoals zij die ervaren, ongeacht of dit de intentie was van de vermeende overtreder. Vanwege de vinkjesgeest zijn zij voornamelijk gevoelig voor onderwerpen rondom ras, geslacht, gender en andere aan onderdrukking gerelateerde thema’s. Status wordt binnen deze cultuur ontleend aan iemands lidmaatschap van een ‘slachtoffergroep’ en de (vermeende) mate van marginalisering die hiermee samenhangt. Wie laag scoort op deze criteria, kan alsnog status verkrijgen door slachtoffers (publiekelijk) te steunen; deze mensen worden ook wel ‘bondgenoten’ genoemd.

Maar in tegenstelling tot eercultuur lossen leden van een slachtoffercultuur conflicten niet direct op met de vermeende overtreder. Zij lossen conflicten op zoals leden van een vermijdingscultuur dat doen: door zich, vaak met behulp van (social) media, te wenden tot derde partijen. Waar campusactivisten op universiteiten jarenlang bestuurders, rectoren en decanen bestookten met protesten, eisen en petities om hun zin te krijgen, worden deze vormen van conflictoplossing nu steeds breder en vaker toegepast ten opzichte van werkgevers, overheidsorganen, en politici. Pogingen om op deze wijze vermeende tegenstanders het zwijgen op te leggen, of hem of haar monddood te maken via reputatieschade, noemt men ook wel ‘cancelcultuur’ of ‘censuurcultuur’. Deze dynamiek maakt slachtoffercultuur onverenigbaar met de democratische rechtsstaat en academische vrijheid, zoals we steeds vaker (zullen) zien.

Het hoger onderwijs stuurt intussen steeds meer aan op conflictoplossing via derden, en als gevolg daarvan op meer ‘cancelling’ en censuur. Enerzijds zien we (in navolging van Amerika) een proliferatie van meldpunten en meldingen, anderzijds geven activistische academici via petities en eisen het voorbeeld aan een nieuwe generatie. Cancelcultuur (de ander monddood willen maken) en censuurcultuur (onwelgevallige meningen of informatie willen censureren) worden zodoende steeds gebruikelijkere vormen van conflictoplossing. Alhoewel cancelcultuur en censuurcultuur bijzonder problematische fenomenen zijn, zijn het slechts bijverschijnselen van een veel groter probleem: de cultivering van slachtoffercultuur door universiteiten.

Hoe universiteiten slachtoffercultuur cultiveren

Universiteiten lopen op drie manieren voorop in de uitrol van slachtoffercultuur. Allereerst worden hele generaties slachtofferschap aangepraat. Hiermee wil ik niet zeggen dat iemand geen slachtoffer kan zijn of was. Maar de historiografische en epistemologische schoen wringt daar waar studenten wordt aangeleerd dat deze zienswijze de voornaamste of zelfs enige vorm van analyse en identificatie zouden zijn. Toch bespeurt docent Matthijs Engelberts in Folia dat met name binnen de geesteswetenschappen sprake is van ‘geforceerde eenvormigheid’ in de curricula en het aannamebeleid. ‘Iedereen kan blijkbaar nog maar één kant op bewegen,’ schrijft hij, en dat is richting slavernij, (de)kolonialisme en racisme. Deze dynamiek blijkt verder uit veel vacatures op AcademicTransfer en de schijnbaar oneindige hoeveelheid dekoloniseringplannen die om de haverklap uit de grond worden gestampt.

Volgens politicoloog Jonathan Holslag in Trouw schrijven academici momenteel hele bibliotheken vol ‘over hoe slecht Europa wel niet was met de kolonisatie en uitbuiting’. Hij spreekt over ‘de deugbrigade en het berouwbataljon’ die menen dat ‘wij onze plek moeten opgeven’ ten faveure van zij die ‘immers slachtoffers’ zijn. En wie zich nog geen slachtoffer waande, hoefde de afgelopen twee jaar enkel het nieuws te volgen: rectoren, hoogleraren, ministers en beleidsmakers struikelden praktisch over elkaar heen om deze ‘pechgeneratie’ te vertellen hoe ‘genaaid’ ze wel niet zijn.

Ten tweede lijkt het wel of de wetenschap geobsedeerd is door ‘ras’ en identiteitspolitiek: universiteiten proberen de raciale opmaak van hun personeelsbestand in kaart te brengen, dekoloniseringsprojecten trachten gelijke uitkomsten op basis van ras af te dwingen, en wetenschappers moeten voortaan hun ras en etniciteit vermelden wanneer zij willen publiceren. Intussen is segregatie langs raciale lijnen een serieus onderwerp van gesprek bij het college van bestuur van de Radboud Universiteit, geven hoogleraren af op ‘witte mannen’ in de media, en worden prijzen uitgereikt voor scripties die ‘witte onwetendheid’ en ‘tolerantie’ in verband brengen met ‘racisme’.

Diversiteitstrainingen – die volgens de Harvard Business Review juist verantwoordelijk zijn voor meer raciale spanningen op de werkvloer – worden in steeds meer departementen uitgerold. Desalniettemin zet de Koninklijke Nederlandsek Akademie van Wetenschappen (KNAW) volop in op dit soort trainingen en kiest zij expliciet voor een ‘intersectionele benadering’ in haar recente ‘Agenda Diversiteit & Inclusie 2022-2025‘. Wie zich als wetenschapper verbonden aan de KNAW nog niet bewust was van zijn of haar etniciteit of gender, zal hierop voortaan structureel worden gewezen door meerdere aan te stellen MT-leden en functionarissen Diversiteit & Inclusie.

Microagressies: pesten vermomd als progressief idee

Tot slot wordt censuur aangewakkerd door overgevoeligheid te promoten. De beleving van slachtofferschap wordt namelijk verergerd als gevolg van de toenemende acceptatie en institutionalisering van zogeheten microagressies. Een microagressie is, sociologisch gezien, niet een bepaalde uitspraak of gedraging; het is een label dat iemand anders op zo’n uitspraak of gedrag plakt. Wie bepaalt wat een microagressie is, heeft macht in de raciale hiërarchie van slachtoffercultuur. De Amerikaanse linguïst John McWhorther legt uit dat dit onvermijdelijk leidt tot ‘endless conflict, under an idea that basically being white is, in itself, a microaggression.’ Hij noemt deze dynamiek ‘bullying disguised as progressive thought.’

Volgens Bradley Campbell ontbreekt bovendien wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van microagressies. Veel onderzoeken nemen volgens hem aan dat microagressies verantwoordelijk zijn voor psychische klachten. Maar zulke studies houden geen rekening met het argument dat het kampen met psychische problemen een voorwaarde lijkt te zijn om microagressies überhaupt waar te nemen, en er dus last van te hebben. Desalniettemin gaat de Universiteit Utrecht, bijvoorbeeld, vier jaar lang het bestaan van microagressies legitimeren door de vermeend schadelijke gevolgen daarvan in kaart te brengen – en zal zich hierin gesteund voelen door het ministerie van OCW. De toenemende roep om safe spaces, trigger warnings en steeds meer (zelf)censuur zou echt niemand meer moeten verrassen. Wetenschap en overheid institutionaliseren een gedachtengoed dat ten grondslag ligt aan het verergeren van psychische problematiek onder met name jongeren.

Bestuurders van Nederland, ga alstublieft bij uzelf te rade. Het aanpakken van cancel- en censuurcultuur is belangrijk, maar voornamelijk een vorm van symptoombestrijding. Zolang de onderliggende slachtoffercultuur niet wordt erkend noch geadresseerd, is het dweilen met de kraan open. Hoe lang nog willen wij studenten de schuld blijven geven van ‘woke’ en cancelcultuur, en wanneer gaan wij ons in plaats daarvan afvragen wat wij hen en onszelf in ’s hemelsnaam aandoen?

Dit artikel is het zevende in een serie verdiepende stukken over diverse aspecten van ‘woke’, die EW Podium sinds twee weken (deel 1, deel 2, deel 3, deel 4) elke woensdag in mei en juni publiceert, in samenwerking met Vrij Links en de Spinozagroep.

Ingelogde abonnees van EWmagazine kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.

Reacties die anoniem worden geplaatst of met een overduidelijke schuilnaam zullen door de moderator worden verwijderd, evenals reacties die niets met het onderwerp van het artikel te maken hebben. Dit geldt evenzeer voor racistische of antisemitische reacties. De moderator handelt in opdracht van de hoofdredacteur.