Amerikaanse Hooggerechtshof wijst rechtsstaten wereldwijd de weg

04 maart 2026Leestijd: 5 minuten
Beeld: ANP

Met de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof tegen de importheffingen van president Donald Trump is duidelijk dat conservatieve rechters Republikeins beleid niet klakkeloos goedkeuren, analyseert staatsrechtgeleerde Lorenzo Nieuwenburg in dit ingezonden artikel.

A government of laws, not of men, noemde John Adams, één van de grondleggers van de Verenigde Staten, de kern van de Amerikaanse republiek. In die geest verklaarde het Amerikaanse Hooggerechtshof eind februari een groot deel van importheffingen van president Donald Trump ongrondwettelijk.

Daarmee bewees deze hoogste rechter niet alleen de Amerikaanse rechtsstaat een dienst, maar wees hij rechtsstaten wereldwijd de weg. Scherp bracht hij het idee achter de machtenscheiding in herinnering.

Onafhankelijk besluit

Het Hooggerechtshof veegt zo de vloer aan met het verwijt dat het op Trumps hand zou zijn. Sinds zijn terugkeer in het Witte Huis sprak dit college hem immers zelden tegen. Met een meerderheid van zes ‘conservatieve’ tegenover drie ‘progressieve’ rechters was dat voor velen geen verrassing.

Daar kwam vorige week vrijdag verandering in, toen zes rechters, onder wie drie conservatieve, tegen de meeste importheffingen stemden. Zo benadrukte het Hooggerechtshof zijn onafhankelijkheid en benutte het een uitgelezen kans om de Verenigde Staten en de rest van de wereld drie beproefde lessen over de democratische rechtsstaat voor te houden.

Blijf bij de letter van de wet

Om de geest van de wet levend te houden moet de rechter vasthouden aan de letter van de wet. Dat is de eerste les. De rechter moet rechtspreken op basis van de wet en die wet bestaat uit woorden. Het is aan hem om geschillen te beslechten op grond van de betekenis van die woorden.

In een democratische rechtsstaat zijn het immers de woorden van de wet waarmee een volksvertegenwoordiging ooit heeft ingestemd. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar is de inzet van een ideologische strijd die in de Verenigde Staten al een halve eeuw woedt.

Deze positie van tekstuele interpretatie – ook wel textualism of originalism genoemd – is in toenemende mate weggezet als rechts en conservatief. Ze ontstond in de jaren tachtig als reactie op de steeds dominanter geworden theorie van de living constitution, de ‘levende grondwet’.

Niet politiek, maar principieel

Deze theorie stelt dat rechters wetten, waaronder de grondwet, moeten interpreteren in de context van het heden: verandert de maatschappij, dan moet de wet meebewegen. Een tekstuele interpretatie staat dat niet toe: de wet is de wet en als die tot onwenselijke uitkomsten leidt, is het aan de wetgever, en niet aan de rechter, om die aan te passen.

Een regelmatig gehoord verwijt is dat conservatieve rechters deze tekstuele interpretatiemethode als dekmantel zouden gebruiken om Republikeins beleid te vergoelijken en beleid uit Democratische koker ongeldig te verklaren. De heffingenuitspraak laat van deze aanname weinig heel.

In het vonnis, geschreven door de door Bush genomineerde opperrechter John Roberts, wordt de tekstuele interpretatie juist gebruikt om het beleid van een Republikeinse president te schrappen. De drie ‘progressieve’ rechters stemden daarnaast allen in met de tekstuele redenering van Roberts. Kortom: tekstuele interpretatie is niet politiek, maar principieel.

Wie heeft toegang tot de zakken van het volk?

Interpretatie is in deze zaak het springende punt. De vraag was of de wereldwijde heffingen op een deugdelijke wettelijke grondslag berustten. Dat is van belang omdat de Amerikaanse Grondwet stelt dat het Congres – en niet de president – beslist over belastingen en importheffingen. Dus als de president al heffingen mag opleggen, dan alleen omdat het Congres hem die bevoegdheid uitdrukkelijk en afgebakend heeft gegeven.

Zo’n bevoegdheid ontbreekt in de handelsnoodwet waarop Trump zijn heffingen baseerde. De importheffingen zijn daarmee ongrondwettelijk en in strijd met de machtenscheiding, oftewel tegen de letter én de geest van de wet. De conservatieve opperrechter Roberts haalt daartoe in het vonnis founding father James Madison aan die schreef ‘alleen de wetgevende macht heeft toegang tot de zakken van het volk’.

Machtenscheiding tegen tirannie

Deze machtenscheiding is er niet zonder reden. Zij is een middel tegen tirannie. Dat is de tweede les van het Hooggerechtshof. Machtenscheiding voorkomt dat één sterke man op basis van een eventueel gefingeerde noodtoestand met een enkele pennenstreek wetten en belastingen aanpast.

Niet de president, die pakweg de helft van de bevolking vertegenwoordigt, maar het Congres, dat alle Amerikanen vertegenwoordigt, stelt wetten vast en belastingen in.

De redenering van het hof werd toegejuicht door de Republikeinse senator Rand Paul: als de zittende president per decreet importheffingen kan opleggen, wat weerhoudt een toekomstige president er dan van ‘om noodbevoegdheden te gebruiken om socialisme in te voeren’?

Daarmee is de revolutionaire leuze no taxation without representation weer helemaal terug – zeker nu heffingen in de praktijk worden opgehoest door de Amerikaanse consument.

Voorspelbaarheid versus jojobeleid

Machtenscheiding is ook een middel tegen jojobeleid – de derde les van het Hooggerechtshof. De conservatieve rechter Neil McGill Gorsuch, die met de meerderheid meestemde, maar een afzonderlijke concurring opinion schreef, zet deze redenering uiteen. Hij erkent dat het wetgevingsproces moeilijk en tijdrovend kan zijn, maar dat het ‘deliberatieve karakter’ juist de kern vormt.

Door gebruik te maken van een veelvoud aan inzichten tempert dit proces volgens Gorsuch de ‘impulsiviteit’. Juist doordat er naar meerderheden gezocht moet worden, hebben de wetten ‘de neiging stand te houden, waardoor gewone mensen hun leven kunnen plannen op een manier die onmogelijk is wanneer de regels elke dag veranderen.’

Deze zorg voor jojobeleid bleek niet onterecht: enkele uren na de uitspraak kondigde Trump nieuwe wereldwijde heffingen van 10 procent aan, die een dag later alweer werden verhoogd naar 15 procent om een paar dagen later weer verlaagd te worden naar 10 procent. De nieuwe heffingen zijn echter gebaseerd op een veel nauwer afgebakende grondslag.

Niet de president, maar de wet heeft het hoogste gezag

Bovendien staat deze grondslag niet toe dat ze langer dan 150 dagen gelden, tenzij het Congres instemt met de heffingen. Deze grondslag is dus veel meer in de geest van de machtenscheiding. De logica van het Hooggerechtshof blijft zo overeind: de letter van de wet drukt de geest uit, zodat de machtenscheiding in stand blijft – de remedie tegen tirannie en jojobeleid.

Een president die de wetgevende macht passeert en eigenstandig wetten maakt, ontkent de machtenscheiding en ondermijnt de rechtsstaat. Niet de president, maar de wet heeft daarbinnen het hoogste gezag. Het Hooggerechtshof herinnert ons daaraan – mede door zelf óók in ondergeschiktheid aan de woorden van de wet te oordelen.

Een rechter die dat nalaat, bezondigt zich aan precies de kwaal die hij bij de president wil voorkomen, namelijk een machtsgreep. Het resultaat daarvan is identiek: a government of men, not of laws.