Onderzoek: veel meer Nederlanders bij Waffen-SS dan eerder gedacht

Nederlandse SS’er leest het antisemitische weekblad Storm SS (1941-1945). Beeld: NIOD

Uit nieuw onderzoek blijkt dat veel meer Nederlanders vrijwillig in Duitse krijgsdienst traden dan eerder gedacht. Volgens militair historicus Jasper Molenaar waren zo’n 33.000 Nederlanders in dienst van de Waffen-SS, 43 procent meer dan werd aangenomen.

Vrijwillige indiensttreding in de Waffen-SS is een van de meest beladen thema’s van de Twee­­de Wereldoorlog in Nederland. Volgens de consensus zaten zo’n 23.000 Nederlanders bij de Waffen-SS. Maar nieuw onderzoek van mijzelf en diverse andere zelfstandige specialisten suggereert dat aantal nog flink hoger kan liggen.

Het online publiceren en doorzoekbaar maken van het Centraal Archief ­Bijzondere Rechtspleging (CABR) had uitsluitsel moeten geven, maar vanwege privacy­zorgen werd dat op het laatste moment uitgesteld. Het laat zien hoe gevoelig het collaboratieverleden nog altijd ligt. Ook vanwege de ongemakkelijk hoge aantallen Nederlanders die hebben gecollaboreerd.

Zo kent Nederland met de huidige schatting al de grootste groep SS-vrijwilligers buiten Duitsland (volgens geïnformeerde schattingen zijn bijvoorbeeld in totaal negenduizend Vlamingen, zesduizend Denen en een soortgelijk aantal Noren bij de Waffen-SS geweest). Maar het is aannemelijk dat het ­Nederlandse aandeel nóg groter was.

Weinig onderzoek gedaan naar Nederlandse SS’ers

Uit een document dat ik ontdekte, een inlichtingenverslag van het Canadese leger, blijkt dat de Canadezen in de laatste oorlogsdagen een register van Nederlandse SS-vrijwilligers ontdekten. Het ging om liefst 33.000 persoonskaarten van het SS-Fürsorgekommando, een in Nederland gevestigde instelling die verantwoordelijk was voor de verzorging van SS’ers en hun verwanten.

Jasper Molenaar (32) is militair historicus en doet onderzoek naar militaire collaboratie door Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De geallieerden droegen deze kaarten over aan de Nederlandse autoriteiten, die ze gebruikten bij de bijzondere rechtspleging, de speciale strafrechttoepassing tegen collaborateurs. Uiteindelijk belandden deze indexkaarten verspreid in persoonsgebonden strafdossiers, die decennialang achter slot en grendel verdwenen in het ministerie van Justitie. Als bij-effect raakte ook het totaalplaatje versnipperd.

Omdat het onderwerp Nederlandse SS’ers van meet af aan gevoelig lag en er lang weinig bronmateriaal was, is er weinig steekhoudend onderzoek naar hun aantallen verricht.

CABR online doorzoekbaar, maar archiefonderzoek onmogelijk

Pas in 2001 werd het CABR toegankelijk voor het publiek. Maar de inzagevoorwaarden zijn zodanig beperkt, dat het uitvoeren van kwantitatief onderzoek lastig en bovenal tijdrovend is. Om dossiers in te zien, is het noodzakelijk om naar het archief te gaan. Het is daar alleen ­toegestaan aantekeningen te maken, geen foto’s en kopieën.

Tot voor kort moesten mogelijke SS’ers eerst worden opgespoord, moesten hun personalia ­boven water komen (volledige naam, geboortedatum- en plaats, woonplaats in 1940-1945) en moest, als ze minder dan honderd jaar geleden waren geboren, aantoonbaar of aannemelijk worden gemaakt dat zij overleden waren. De afhandeling van inzageverzoeken duurde weken.

Onlangs werd de namenlijst van het CABR goeddeels online doorzoekbaar, wat de opsporing van betrokkenen en dossiers flink vergemakkelijkt. Daar staat tegenover dat het momenteel door drukte vrijwel onmogelijk is de stukken in het archief in te zien. Alles tezamen is het onderzoek nog altijd in de verkenningsfase.

Hoeveel Nederlanders traden in dienst bij de Waffen-SS?

Over de aantallen is dan ook nog altijd geen duidelijkheid. In de jaren vijftig was de inschatting dat het om zo’n 12.000 man ging. Enkele jaren later moest dit beeld drastisch worden bijgesteld, toen de Duitse historicus dr. Hans-Adolf Jacobsen ontdekte dat de teller begin 1944 al op ruim 18.000 stond.

Voor zijn gezaghebbende proefschrift De SS en Nederland uit 1976 vond historicus Nanno in ’t Veld het laatste bekende overzicht dat enig houvast biedt: een officiële opgaaf van de in Nederland gevestigde afdeling van het SS-Fürsorgekommando. Volgens deze opgaaf uit 31 juli 1944 waren 21.431 Nederlanders ‘vrijwillig’ in betaalde dienst van de Waffen-SS getreden. Gedurende de gehele oorlog waren volgens In ’t Veld zo’n 23.000 Nederlanders tot de Waffen-SS toegetreden.

Uit het overzicht blijkt dat niet alle vrijwilligers strikt genomen SS-militair waren. Een kleine 10 procent had zich niet opgegeven voor de Waffen-SS, maar werd hier wél door betaald. Hieronder waren bijna duizend Frontschwester (soldatenverpleegsters) van het Duitse Rode Kruis (DRK) en honderden leden van het reguliere Duitse leger, de Luftwaffe, de Duitse politie en de Technische Noodhulp (TN).

Waffen-SS
Wervingsposter uit 1942. Duizenden meldden zich aan gedurende de oorlog. Beeld: NIOD

Wel waren deze ogenschijnlijk aparte categorieën zo verweven met de Waffen-SS, dat ze in zekere mate toch hiertoe vallen te rekenen. Zo behandelden DRK-zusters voor het overgrote deel gewonde militairen in SS-veldhospitalen. De politievrijwilligers opereerden als militaire waterpolitie op het IJsselmeer. En hoewel de TN vooral een rampenbestrijdings­organisatie was, had deze een onderafdeling voor frontinzet bij een SS-korps: de TN-Einsatzabteilung Niederlande. Zelfs de Nederlandse leden van de luchtmacht en het reguliere Duitse leger kunnen niet geheel apart worden gezien. Diverse van hen zijn prompt naar SS-eenheden overgeplaatst.

Vanaf eind 1944 kwam daar nog de ­categorie van de Luftwaffenhelfern bij. Het betrof tieners (jongens én meisjes) die zich bij de Hitlerjugend hadden opgegeven voor de Duitse luchtverdediging. De jongens werden als SS-Zöglinge (SS-leerlingen) geregistreerd, waarmee zij ­feitelijk aspirant-­leden van de Waffen-SS werden. Na een half jaar bij de luchtmacht mochten zij doorstromen. Zelfs de meisjes kwamen vaak uiteindelijk bij de Waffen-SS terecht.

Zelfs nieuwe Waffen-SS’ers in de laatste oorlogsdagen

Ook als je alleen de ‘echte’ SS-vrijwil­ligers telt, is het goed denkbaar dat hun aantal de 30.000 heeft genaderd. Want tot nu toe is er onvoldoende rekening gehouden met de aanmelding van Nederlanders die zich buiten Nederland bevonden.

Vanaf het voorjaar van 1943 wierf de SS steeds intensiever onder de talrijke Nederlanders die in het kader van de Arbeidsinzet in Duitsland waren tewerkgesteld. En na Dolle Dinsdag – een dag van massahysterie in september 1944 door valse berichten dat Nederland snel zou worden bevrijd – werd flink geronseld onder collaboratievluchtelingen die hun heil in Duitsland hadden gezocht.

Een andere vergeten lichting betreft de Nederlandse vrijwilligers bij de Kriegsmarine (de zeemacht) die in de nazomer van 1944 in aanzienlijke aantallen naar de Waffen-SS werden overgeheveld.

Ook is er de mogelijkheid dat sommige vrijwilligers niet voorkwamen in het door de Canadezen ontdekte namenregister. Zo zijn er voorbeelden van Nederlanders die zich tijdens de laatste chaotische oorlogsmaanden in Duitsland opgaven, maar geen registratiekaart lijken te hebben ­gekregen bij de in Nederland gevestigde verzorgingsafdeling. Bovendien kwamen er zelfs nadat het register opdook, dus in de laatste oorlogsdagen, nog nieuwe SS-vrijwilligers bij.

Schatting aantal Nederlanders in Waffen-SS naar boven bijstellen

Al met al lijkt het er sterk op dat de gangbare schatting van het aantal Nederlanders in de Waffen-SS naar boven moet worden bijgesteld. Bovendien was het animo onder Nederlanders voor de Waffen-SS beslist nog groter dan de genoemde aantallen al suggereren.

Zeker in het begin werden veel geïnteresseerden afgekeurd. Tot het voorjaar van 1941 ging het om ­ongeveer de helft. Hoewel de toelatingseisen later werden versoepeld, werden tot in de laatste oorlogsfase veel kandidaten afgewezen. Midden 1944 kwam nog altijd eenderde niet door de SS-keuring.

Nieuw onderzoek naar collaboratie nodig?

Dit alles roept de vraag op of de rol van Nederland in de oorlog aan hernieuwde reflectie toe is. Denk ook aan het bredere militaire collaboratie-spectrum: ten minste 40.000 Nederlanders verloren hun staatsburgerschap ­omdat zij in Duitse krijgsdienst waren getreden, en dat is nog minus de duizenden gesneuvelden en onbekende aantallen minderjarigen (onder de 21 jaar) die hun Nederlanderschap niet verloren als zij in vreemde krijgsdienst traden.

Geen land leverde zo veel oorlogs­vrijwilligers voor nazi-Duitsland als ­Nederland, zoveel is wel duidelijk. Hier is nooit integraal ­historisch onderzoek naar verricht, en wegens privacyzorgen is het nu nog steeds praktisch onmogelijk.

Het faciliteren van geanonimiseerd onderzoek in het ­digitale CABR zou uitkomst kunnen bieden. Want het is belangrijk dat er onderzoek naar deze geschiedenis wordt gedaan.