Waarom universiteiten kritische vragen niet uit de weg mogen gaan

Collegezaal van een universiteit. (Foto ANP).

Hebben de Nederlandse universiteiten de handdoek in de ring gegooid? Zoeken zij niet langer naar waarheid? Dat vragen de Leidse oud-rector magnificus Carel Stolker en hoogleraar geschiedenis Herman Paul (ook Universiteit Leiden) zich af in dit ingezonden opiniestuk.

Hebben de Nederlandse universiteiten de handdoek in de ring gegooid? Zoeken zij niet langer naar waarheid? Hebben diversiteit en inclusie de plaats ingenomen van wetenschappelijke kwaliteit? Zijn de universiteiten, eens bolwerken van vrijheid, inmiddels bolwerken van ‘links’ en van ‘wokisme’ aan het worden?

Het zijn vragen die ook in Nederland klinken. Bijvoorbeeld in opiniestukken over academische vrijheid in EW maar ook in een recent symposium aan onze eigen Universiteit Leiden. Het zijn belangrijke vragen en achter die vragen gaan zorgen schuil die de fundamenten van de wetenschap raken.

Wat zijn de zorgen?

Dr. Steije Hofhuis, als onderzoeker verbonden aan het Wissenschaftszentrum Berlin für Sozialforschung, waarschuwt al langer dat tegendraads onderzoek te weinig ruimte krijgt en misschien zelfs actief wordt tegengewerkt.

Hofhuis vraagt zich af of er aan de Nederlandse universiteiten voldoende ruimte is voor afwijkende perspectieven. Kunnen onderzoekers zich vrij ontwikkelen als hun onderzoek of bevindingen ingaan tegen de maatschappelijke, politieke of wetenschappelijke hoofdstroom?

Onderzoeksubsidies voor uitdagende perspectieven

Volgens hem zouden onderzoeksubsidies vaker moeten worden toegekend aan onderzoek dat dominante wetenschappelijke perspectieven uitdaagt. Wat hem extra zorgen baart: de gedragscode waaraan Nederlandse wetenschappers zich moeten houden sprak in 2014 nog over ‘waarheidsvinding’. Maar dit begrip is in de huidige versie verdwenen.

Datzelfde geldt voor ‘objectiviteit’. Gaat het in plaats daarvan nu vooral om diversiteit, inclusiviteit en veilige cultuur?

Lees ook | Wat Charlie Kirk deed op Amerikaanse universiteiten, kan in Nederland al niet meer

Een tweede onderzoeker, dr. Raymond Poot van het Erasmus MC, signaleert nog een tweede ‘stille revolutie’. Die gaat over het cv dat een onderzoeker moet toevoegen aan een subsidieaanvraag.

Onder druk van nieuw beleid zou onderzoeksfinancier NWO het cv eerst hebben ontdaan van output-indicatoren (wat heeft iemand gepubliceerd en hoe vaak is dat opgepakt door anderen?), om het cv daarna zelfs helemaal te verwijderen als beslissingscriterium.

Gecombineerd raken deze zorgen aan de waarden en de fundamenten van de wetenschap.

Wetenschap mag niet wegduiken

De eerste zorg: is er genoeg ruimte voor onderzoek naar tegendraadse perspectieven? Steije Hofhuis vreest dat onderzoekers en instellingen zich wel twee keer zullen bedenken voor ze een voorstel indienen om de risico’s van culturele diversiteit voor sociale cohesie te onderzoeken, of onderzoek naar immigratiebeleid en de verzorgingsstaat.

Vaak gaat het om dit soort onderwerpen. De wetenschap mag er niet voor wegduiken.

Soms lijkt het wel alsof dat gebeurt – daarin heeft Hofhuis gelijk. Zo werd in 2017 in de Tweede Kamer de motie-Duisenberg aangenomen die mogelijke zelfcensuur, homogeniteit en gebrek aan viewpoint diversity in de wetenschap aankaartte.

Lees ook | University of Austin: van antiwoke-universiteit naar trumpistische koers

Die motie veroorzaakte een schrikreactie binnen de universiteiten.

De regering vroeg de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) hierover advies. Maar het eerste rapport (2018) ging te weinig over die belangrijke vraag, al benadrukte de KNAW wél dat ‘het in de wetenschapsbeoefening van belang is om ruimte te bieden voor diversiteit en pluriformiteit in perspectieven, voor zover dit bijdraagt aan gedegen waarheidsvinding’ (dat begrip was toen nog niet gesneuveld).

‘De wetenschap’ reageert angstig op kritische vragen

Tóch, toen het rapport kritiek opriep, organiseerde de KNAW meteen een symposium waar een mogelijk gebrek aan pluriformiteit explicieter werd besproken. Het leidde tot een tweede rapport (2021).

Dat was een uitstekend en veel concreter rapport, dat meteen ook duidelijk maakte dat academische vrijheid zowel een recht als een opdracht is, voor iedereen in de wetenschap.

Er kan dus niet vaak genoeg over worden gediscussieerd. Naar ons gevoel kan dat inderdaad scherper.

Lees ook | Klem tussen woke en Trump: hoe Amerikaanse universiteiten vechten voor hun vrijheid

Wij zien dat ‘de wetenschap’ of ‘de universiteit’ geneigd is angstig te reageren op vragen en zorgen die raken aan haar fundamenten. Daar zijn maatschappelijke polarisatie en bedreigingen van wetenschappers ook debet aan.

Maar juist daarom moeten we het gesprek over onze fundamenten en onze waarden blijven voeren. In tijden van ‘eigen bubbels’ zou bijvoorbeeld bij elke wetenschappelijke bijeenkomst de vraag kunnen zijn: ‘Wie zouden we er echt níet bij willen hebben? Laten we die dan eens uitnodigen!’

‘Waarheidsvinding’ uit de integriteitscode

Dan de ‘waarheidsvinding’. Waarom verdween die uit de integriteitscode? De commissie die de code heeft herzien, heeft dat destijds uitgelegd.

Niet elk vakgebied werkt met hetzelfde waarheidsbegrip. In geschiedenis of bèta-medische vakken is waarheidsvinding een direct doel.

In rechtswetenschap bijvoorbeeld niet altijd: juristen analyseren niet alleen, maar doen ook normatieve voorstellen om het recht beter, rechtvaardiger of effectiever te maken. Daar komt nog bij dat de gedragscode voor alle Nederlandse wetenschappers geldt.

Dus ook voor onderzoekers die praktijkgericht of beleidsonderzoek doen voor overheden en bedrijven. Voor dat onderzoek vond de commissie ‘waarheid’ een te smal begrip.

Geef ‘waarheid’ en ‘waarheidsvinding’ weer een plek

Daarom richt de nu geldende code zich op hoe onderzoekers tot resultaten komen: eerlijkheid, zorgvuldigheid, onafhankelijkheid, transparantie en verantwoordelijkheid. En daar is wat voor te zeggen. Tegelijk begrijpen we goed dat het schrappen van ‘waarheidsvinding’ tot bezorgde reacties leidt.

In een tijd waarin algoritmes mensen hun eigen ‘waarheid’ voorschotelen en machtige mannen op het wereldtoneel doen alsof zij de waarheid naar hun hand kunnen zetten, hebben wetenschappers de dure plicht om tegenwicht te bieden. ‘Waarheidsvinding’ schrappen uit de wetenschappelijke integriteitscode is dan niet zo handig.

Lees ook | Is er nog ruimte voor open debat aan de universiteit?

Daarmee zeggen we dus twee dingen. Denk niet dat waarheidsvinding voor wetenschappers onbelangrijk is geworden: universiteiten zijn juist plekken waar dat zoeken naar waarheid wordt gekoesterd. Voor velen is het de heilige graal.

Maar – en dat is ons tweede punt – het zou een goed idee zijn om ‘waarheid’ en ‘waarheidsvinding’ weer op te nemen in toekomstige gedragscodes. De beroepsvereniging van historici in Nederland wijst ons hier de weg: zij meldde onlangs dat ‘waarheid’ weer een plek zal krijgen in de nieuwe versie van haar eigen gedragscode.

Geven onderzoeksfinanciers nog om kwaliteit?

Tot slot is er de kwestie van de kwaliteit, waarover Raymond Poot kritische noten kraakt. Decennialang stuurden aanvragers van onderzoeksbeurzen een uitgebreid cv in.

Maar nu, zegt Poot, mogen externe beoordelaars alleen nog iets zeggen over de kwaliteit van onderzoeksvoorstellen. Over de kwaliteit van indieners zouden ze moeten zwijgen: het cv zou zijn ingeruild voor criteria als ‘leiderschap’ en ‘samenwerken’ (team science).

Waar Poot gelijk in heeft, is dat onderzoeksfinanciers en universiteiten kritischer zijn geworden op hoe kwaliteit en impact worden vastgesteld.

In het verleden, en soms nog steeds, hadden vooral bibliometrische gegevens de voorkeur: tellen dus. Maar er werd ontdekt dat dit soort getallen vaak een vertekend beeld geeft van kwaliteit.

Eén zo’n beroemde maatstaf was de zogeheten h-index, die nu zelfs door zijn eigen bedenker voor dit doel ontraden wordt. Terecht zijn onderzoeksfinanciers en universiteiten kritisch geworden op dit soort van kwaliteitsmetingen.

Meer oog voor ieders talent, niet alleen het cv

Daarbij komt Erkennen & Waarderen – een programma van de Nederlandse universiteiten, de universitair medische centra, de onderzoeksinstellingen en de wetenschapsfinanciers. Dat programma probeert een nieuwe balans te vinden in het erkennen en waarderen van wetenschappelijk werk.

Kennisinstellingen willen meer oog hebben voor ieders talent en voor het bredere spectrum van kwaliteiten dat nodig is in de domeinen onderzoek, onderwijs, impact, leiderschap, en bijvoorbeeld patiëntenzorg. En die domeinen lopen vaak in elkaar over.

Lees ook | Deze studenten strijden voor academische vrijheid namens de stille meerderheid

De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, NWO, vraagt daarom nu van aanvragers om goed te beargumenteren waarom bepaalde ervaringen en kwaliteiten relevant zijn. Je zou kunnen zeggen dat de nieuwe aanpak juist méér uitleg en onderbouwing vraagt dan het traditionele cv.

En uiteindelijk gaat het er nog steeds om of iemand qua cv boven de norm uitsteekt, innovatieve ideeën heeft en of het onderzoek iets gaat toevoegen aan wat we al weten.

Zorgen over kwaliteitseisen leven breder

Kortom: cv’s hebben niet afgedaan als beoordelingsciterium. Wel is het zo dat niet bij alle NWO-programma’s op dezelfde manier naar het cv wordt gekeken. In sommige programma’s staat de kwaliteit van het onderzoeksidee centraal.

In andere is het überhaupt niet wenselijk om veel nadruk te leggen op academische cv’s, bijvoorbeeld als subsidies moeten worden aangevraagd door een consortium met publieke of private partners.

Hoe dit alles uitpakt wordt – zoals dat hoort – wetenschappelijk gevolgd. Uit de eerste cultuurbarometer blijkt dat Poot niet de enige is die zorgen heeft. Die moeten in een volgende evaluatie worden meegewogen.

Wetenschap schuift richting politiek en samenleving

Zoomen we uit, dan hebben vrijwel alle zorgen te maken met de positie van de wetenschap in onze samenleving. Met haar wetenschappelijk onderzoek, haar beleidsadviezen en het praktijkgericht onderzoek schuift ze steeds dichter aan tegen de politiek, het overheidsbeleid, de industrie en de brede samenleving.

Lees ook | Hoe het vertrek van Harry Pettit het vrije-debatprobleem blootlegt

Dat is ook precies wat die samenleving wil: dat kennis die wordt ontwikkeld aan onze universiteiten daar niet blijft hangen, maar zoveel mogelijk ten goede komt aan de samenleving en de wereld.

Veel onderzoek begint daarom bij een vraag die uit de samenleving voortkomt en dan rijzen vragen als: wat is precies het probleem? Wat is het onderzoeken waard? Wat weten we al? Wie betrek je in je onderzoek? Wanneer is een resultaat of een oplossing ‘goed’ of zelfs ‘beter’?

Op dit punt mag de universiteit inclusiever

Belangrijke vragen met antwoorden waarover je van mening kunt verschillen.

Terecht klinkt daarom steeds vaker de vraag met welke samenleving de wetenschap in gesprek gaat: wie nodigt zij uit?, naar welke stemmen luistert ze? Zoals de Utrechtse bestuurskundige Mark Bovens onlangs zei: op dit punt mag de universiteit echt wel wat inclusiever worden.

Toch goed dat dit woord in de code staat!

Het is daarom óók goed dat Gouke Moes, demissionair minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (BBB) een onderzoek heeft aangekondigd naar pluriformiteit in de wetenschap.

Het is een koud kunstje om kritische vragen te ontlopen. Maar dat past de wetenschap niet. De vragen zijn symptomen van bredere zorgen, die gaan over de positie van de wetenschap in onze samenleving. De wetenschap kan en mag daarvoor niet wegduiken.

Herman Paul is hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Carel Stolker is jurist en voormalig rector magnificus en collegevoorzitter van de Universiteit Leiden.

 

Lees ook over Carel Stolker | De rector die de bliksem laat inslaan