Vandaag vijftig jaar geleden kwam Coos Huijsen (1939) in de Tweede Kamer uit de kast als homoseksueel. Daarmee schreef hij geschiedenis. Samen met zijn neef en EW-redacteur Geerten Waling maakte hij het boek Roze draad over ‘strijd, succes en stilstand’ in vijftig jaar homo-emancipatie.
Weinig coming-outs hebben zo veel impact gehad als die van mijn oom en dierbare vriend Coos Huijsen, op 30 maart 1976. Als lid van de Tweede Kamer was hij, zoals later zou blijken, de eerste parlementariër ter wereld die openlijk voor zijn homoseksualiteit uitkwam.
Huijsen is zonder overdrijving te typeren als ‘de Nederlandse Harvey Milk’. Deze lokale politicus in San Francisco werd in dezelfde tijd een boegbeeld voor de homo-emancipatie in de Verenigde Staten. De moord op hem in 1978 leidde tot grootschalige rellen in San Francisco en New York.
Een politieke strijd om erkenning
Nederland, met zijn vrijzinnige hoofdstad Amsterdam voorop, kent ook een roemrucht verleden van homo-emancipatie vanaf de jaren zeventig. Gelukkig bleven een moord als die op Milk, en hevige rellen die daarop volgden, Nederland bespaard.
Een belangrijke overeenkomst is wel dat er naast een sociale strijd om erkenning van de homoseksuele geaardheid als mensenrecht, ook een politieke strijd moest worden gevoerd.
‘Uit de kast komen is het meest politieke wat je kunt doen’
Dat gebeurde door een enkele politicus die het al vroeg waagde om zich, te midden van een vijandige omgeving, openlijk uit te spreken over zijn of haar homoseksualiteit.
Uit de kast komen was nodig om een voet tussen de deur te krijgen en een luisterend oor af te dwingen bij bestuurders en wetgevers en in het publieke debat. Zoals Harvey Milk het zelf treffend heeft gezegd: ‘Coming-out is the most political thing to do’ – uit de kast komen is het meest politieke wat je kunt doen.
De jaren zeventig waren een tijd waarin het persoonlijke politiek werd, en de politiek veel persoonlijker. Dat gold voor activisten die streden voor gelijkheid van ras en sekse, en dus ook voor de emancipatie van homoseksualiteit.
‘Of welke grond dan ook’
Ineens hing er, zo voelde Huijsen, ‘iets in de lucht’. De conservatieve sfeer van de wederopbouwperiode sloeg om in een uitbundige seksuele revolutie, zeker in hoofdstad Amsterdam. In de popmuziek en op televisie werd homoseksualiteit ineens zichtbaar en bespreekbaar.
En hoewel de hiv-epidemie algauw een einde zou maken aan de onbevangen vrijheid binnen de homogemeenschap, werd in deze vroege jaren wel de kiem gelegd voor de politieke, maatschappelijke en juridische erkenning van homoseksualiteit.
Zo werd aan het nieuwe artikel 1 van de Grondwet, mede dankzij Kamerlid Huijsen, naast ras, geslacht en godsdienst als criterium voor gelijke behandeling, de frase ‘of welke grond dan ook’ toegevoegd. Voor openlijke vermelding van ‘seksuele gerichtheid’ was het veel partijen nog te vroeg, dat zou pas in 2023 gebeuren.
Nederland als gidsland – toen nog wel
De jonge homo-emancipatiebeweging kon rekenen op bredere steun in de samenleving, zo bleek bij het uitzinnige benefietconcert Miami Nightmare, in het Concertgebouw in Amsterdam in oktober 1977, met grote namen als Mies Bouwman, Robert Long en de Zangeres Zonder Naam.
De aanleiding was de homohaat van de Amerikaanse zangeres Anita Bryant. De avond leverde een ton op, die werd besteed aan een paginagrote advertentie in Time Magazine, waarin Nederland steun uitsprak aan de Amerikaanse homogemeenschap.
De organiserende stichting, met Huijsen als voorzitter, legde in Nederland de basis voor de ‘vrije relatierechten’. Met eerst de openstelling van het samenlevingscontract voor stellen van hetzelfde geslacht, op 1 april 2001 gevolgd door het burgerlijk huwelijk.
Op al die terreinen van Nederland, met de bruisende gay capital Amsterdam als hoofdstad, een gidsland – toen nog wel.
Uit koers geraakt
Ondanks de strijd die is geleverd, en de successen die zijn geboekt, lijkt het gidsland flink uit koers te zijn geraakt. Hoewel in alle belangrijke culturele en politieke posities homoseksualiteit volstrekt geaccepteerd is – zelfs in het Torentje en in de voorzittersstoel van de Tweede Kamer – is er volop reden tot zorg.
‘Homo’ is een van de meest gebruikte scheldwoorden op schoolpleinen, sportclubs en sociale media. De veiligheid op straat voor homoseksuelen lijkt, juist in het vrije Amsterdam van weleer, hard achteruit te gaan.
En waar immigrantenculturen, in het bijzonder uit de islamitische wereld, grote moeite hebben met openlijke homoseksualiteit, is er ook een bredere tendens onder jongeren om meer te hechten aan traditionele genderverhoudingen en familierollen.
Van ‘gay pride’ naar tobberig activisme
In die letterbak wordt de vrije beleving van seksuele en romantische geaardheid – van lesbiennes, homoseksuelen en biseksuelen – op één hoop geveegd met allerlei gevoelens ‘in een verkeerd lichaam’ te zitten.
Onder de radicaal-linkse noemer queer wordt ook nog solidariteit met de Palestijnen en haat tegen het kapitalisme opgelegd, zaken waar grote groepen homoseksuelen helemaal niets mee hebben.
Een wake-upcall voor de homo-emancipatie
De zorgen zijn dus groot, zeker onder de oudere generatie die in de jaren zeventig de nek uitstak voor de vrijheid en de acceptatie die nu in zo’n rap tempo dreigen weg te sijpelen.
Een halve eeuw na het begin, en een kwart eeuw na het grootste succes met de openstelling van het huwelijk, staat de homo-emancipatie er niet florissant bij. Zelfs jongeren uit progressieve milieus, zoals schrijvers Splinter Chabot en Tahrim Ramdjan, worstelen met hun geaardheid.
Laat de signalen van groeiende intolerantie, en van stilstand in de beweging die juist voor meer vrijheid zou moeten zorgen, een wake-upcall zijn. Verworvenheden kunnen zomaar weer verloren gaan.
Dit is een bewerkte voorpublicatie van de bijdrage van Geerten Waling aan het boek dat hij samen met Coos Huijsen maakte: Roze draad. Strijd, succes en stilstand in vijftig jaar homo-emancipatie (Amsterdam, Boom 2026). Het eerste exemplaar is op 30 maart aangeboden aan Tweede Kamervoorzitter Thom van Campen.