Starters blij, maar huurders zijn de klos: waarom de Wet betaalbare huur averechts werkt

Beeld: ANP.

De laatste tijd verschijnen in de ­media krankzinnige berichten dat de Wet betaalbare huur ‘begint te werken’, omdat verhuurders hun appartementen massaal verkopen. Sinds de wet en fiscale verzwaringen zijn ingevoerd, krimpt de particuliere verhuurmarkt in rap tempo.

In 2023 kwam ruim 30 procent van de verkochte appartementen uit de particuliere verhuur – een trend die doorzette in 2024. In Amsterdam en Utrecht ligt het aandeel in bepaalde wijken zelfs boven de 40 procent. ‘Starters hebben weer een serieuze kans,’ schreef de Volkskrant. Maar dat is maar één kant van de medaille.

De mensen die níet kunnen kopen omdat ze te weinig verdienen of geen eigen geld hebben, staan juist op achterstand. Het aanbod is kleiner en appartementen zijn zeker niet betaalbaarder geworden.

Veel Nederlanders zijn afhankelijk van huur

De groep die afhankelijk is van huur, is groot. Nederland telt ongeveer 2,3 miljoen huurhuishoudens, waarvan ruim de helft in de vrije of middenhuur. De huurmarkt is een essentiële scharnierplek waar studenten, flexwerkers, migranten, jonge gezinnen, gescheiden veertigers en ouderen elkaar kruisen. Daar speelt de echte doorstroming zich af. Huurders hebben juist baat bij een vrije, werkende markt.

Maar nu zit de huurder klem – tussen te dure kamers, bij ouders op zolder of op tijdelijke adressen die in de statistiek ‘verhuizing’ heten, maar wat in het echte leven betekent dat jonge mensen met hun Albert Heijn-tassen bij een vriend moeten aankloppen voor een plek op de bank.

Meer dan 60 procent van de nieuwe kopers in de grote steden brengt eigen geld in – gemiddeld zo’n 34.000 euro onder de 35 jaar, 62.000 euro boven de 35. Die starters met eigen vermogen of rijke ouders verdringen zo huurders die niet over dergelijke financiële middelen beschikken.

Overheidsbeleid werkt averechts: dupeert huurders

Huurders zijn de dupe van overheidsbeleid dat hun positie juist sterker moest maken. Het is een grote opdracht voor het komende kabinet van D66, CDA en VVD om die ongelijkheid niet nog groter te laten worden.

Stel de huurders werkelijk centraal

D66 beloofde in de verkiezingscampagne tien nieuwe steden te bouwen. Een bijna heroïsche ambitie in een land dat decennialang vooral heeft vergaderd in plaats van gebouwd. Maar een stad is pas een stad als er ook plek is voor mensen die huren: denk aan alle studenten, starters zonder vermogen, mensen met flexbanen, gezinnen die niet willen of kunnen kopen, mensen die tijd nodig hebben om te sparen.

Wie mag straks wonen in wat we bouwen?

Het is aan dit kabinet om te tonen dat bouwen daadkracht en stenen metselen is, maar ook sociale ordening: wie mag straks wonen in wat we bouwen? Stel de huurders werkelijk centraal. De mensen zonder erfenis, zonder spaargeld, zonder ouders die bijspringen.

Nu is Nederland een land waar overheidsbeleid vooral kopers ten goede komt. En waar vermogen meer telt dan het recht op een dak boven je hoofd.