De feiten: De Tweede Kamer buigt zich over box 3
Maandag buigt de Tweede Kamer zich van half twaalf tot half zeven over box 3, de belasting over onder meer spaargeld, beleggingen en vakantiehuizen. Meer specifiek gaat het over de Wet werkelijk rendement box 3 (Wwr), die zich nu nog in de fase van wetsvoorstel bevindt.
De Wwr moet een einde maken aan de zogeheten forfaitaire (fictieve) rendementen in box 3, waarmee nu nog het te belasten rendement wordt berekend. Met het nieuwe systeem komt er een belasting over de daadwerkelijk behaalde rendementen in een jaar.
Nieuw box 3-stelsel levert meer op voor de schatkist
Het demissionaire kabinet-Schoof koerst op inwerkingtreding van de wet per 2028, dus over iets meer dan 23 maanden. Daarvoor is wel vereist dat de Tweede Kamer vóór 15 maart de wet aanneemt. De Belastingdienst, banken en andere financiële instellingen hebben dan voldoende tijd om hun systemen aan te passen aan de nieuwe box 3.
Stemt de Tweede Kamer later in dan half maart, dan schuift de ingangsdatum met minimaal een jaar op. Dat betekent een kleine aanslag op de schatkist, omdat het nieuwe box 3-stelsel meer oplevert dan het huidige. Die extra opbrengst is al ingeboekt. Bij uitstel kampt het nieuwe kabinet-Jetten meteen met een financiële tegenvaller van ongeveer 2,35 miljard euro per uitgesteld jaar.
Behoort papieren winst ook tot het rendement?
Haast is wat dat betreft dus geboden. Maar er is een groot twistpunt: behoort een papieren winst ook tot het rendement? Volgens het wetsvoorstel wel. Als een aandeel in een jaar in waarde stijgt, kan dan over die stijging 36 procent belasting worden betaald: ook al verkoop je het aandeel niet en is de koerswinst niet daadwerkelijk geïnd.
Niet alle partijen zijn het met dat laatste eens. VVD en BBB zien meer in een belasting die pas wordt geheven als het aandeel daadwerkelijk is verkocht. Maandag moet duidelijk worden hoe fel het verzet is tegen het wetsvoorstel.
Wie zegt wat over het wetsvoorstel voor box 3?
- De Raad van State ziet vooral haken en ogen in het wetsvoorstel: ‘Er kleven zwaarwegende bezwaren aan het box 3-stelsel dat de regering voorstelt, onder andere op het gebied van de uitvoering.’
- De Belastingdienst waarschuwt voor de uitvoeringsproblematiek: ‘Er is een toename van het aantal fiscale regels, een toename van de gegevens die in de aangifte moeten worden uitgevraagd, een toename van de benodigde interactie met belastingplichtigen en een toename van de benodigde gegevensuitwisseling met organisaties buiten de Belastingdienst, terwijl de mogelijkheid aangiftes te controleren aan de hand van relevante contra-informatie afneemt.’
- Staatssecretaris Eugène Heijnen (BBB) van Fiscaliteit: ‘Alles afwegende heeft het kabinet ervoor gekozen om voor wetsvoorstel Wet werkelijk rendement
box 3 in de basis te kiezen voor een vermogensaanwasbelasting en alleen voor beleggingen in startende ondernemingen en onroerende zaken een vermogenswinstbelasting te introduceren.’
EW's visie: Tijd om knopen door te hakken
Door: Jeroen van Wensen, redacteur Macro-economie en BelastingenOpeenvolgende kabinetten hebben het al jaren over een deugdelijke belasting over vermogen. Zeker toen het in 2001 ingevoerde box 3-stelsel met zijn forfaitaire rendementen steeds minder begon te stroken met de werkelijkheid.
Tien jaar geleden leverde een spaarrekening niets op, maar volgens de wet was dat toch nog 4 procent. In februari 2016 bestempelde de advocaat-generaal van de Hoge Raad box 3 daarom als diefstal. Spaarders moesten meer belasting betalen over hun vermogen dan ze er aan rente over ontvingen.
In 2021, en later nog eens in 2024, greep de Hoge Raad daadwerkelijk in op het box 3-stelsel. Daarna is de vermogenstaks afgegleden tot een gemankeerd bouwsel. Dus er moet iets nieuws komen.
Op welk stelsel moet de vermogensbelasting zijn gebaseerd?
Daarbij staat de vraag centraal of dat stelsel moet zijn gebaseerd op een vermogensaanwasbelasting (dus ook betalen over papieren koerswinsten) of een vermogenswinstbelasting (alleen betalen bij verkoop van een aandeel). Het zijn ingrijpende keuzes met allebei voors en tegens.
Wat de keus ook moge zijn, het is in elk geval belangrijk dat de Tweede Kamer na meer dan tien jaar van discussie eindelijk eens kiest.
Verdere verdieping over Box 3
Het huidige box 3-systeem belast forfaitaire (fictieve) rendementen over het vermogen. Die rendementen bewegen jaarlijks mee met de marktontwikkelingen. Zo rekent de Belastingdienst over 2025 met een fictieve rente van 1,37 procent over spaargeld.
Alle andere bezittingen – aandelen, obligaties, vakantiehuizen, verhuurde huizen, bitcoins, enzovoort – leverden in 2025 volgens de wet 5,88 procent rendement op. De rente op schulden kwam over vorig jaar uit op 2,7 procent. Over die rendementen heft de fiscus 36 procent belasting.
Mocht het behaalde rendement op het gehele vermogen in werkelijkheid lager uitkomen, dan kan de belastingplichtige de Belastingdienst verzoeken om uit te gaan van dat lagere rendement. Dat kan middels de zogeheten tegenbewijsregeling.
Een box 3-stelsel met werkelijk rendement heeft politiek draagvlak
Van het bouwsel van fictieve rendementen en de gemankeerde tegenbewijsregeling willen alle politieke partijen af. Een stelsel met een heffing over alleen de werkelijk behaalde rendementen zien de meeste partijen wel zitten.
Het nieuwe stelsel belast het werkelijke rendement. Maar wat is dat? Hoort daar ook de papieren koerswinst bij, of draait het alleen om werkelijk gerealiseerd rendement? Dus mag er alleen belasting worden geheven als een aandeel of een pand met winst is verkocht?
De hoofdregel in de voorgestelde wet gaat uit van het belasten van koerswinsten op papier: de vermogensaanwasbelasting. Voor vastgoed en aandelen in start-ups komt er een uitzondering. Voor die categorieën geldt een vermogenswinstbelasting: pas heffen over de winst bij verkoop.
Box 3: de aanwasbelasting
Belastingdienst en banken zijn vooral vanwege de eenvoudiger uitvoering voorstander van een aanwasbelasting. De schatkist ook, want voor vermogensopbrengsten hoeft niet eerst te worden gewacht op verkoop van dat vermogen. Deskundigen zijn verdeeld.
Andere twistpunten over het wetsvoorstel hebben vooral betrekking op de belasting over vakantiehuizen en de mate waarin verliezen op beleggingen kunnen worden verrekend.